IPKW > Nieuws > Mini-seminar Emissieloos rijden: bedrijven forceren innovatie op de mobiliteitsmarkt

Mini-seminar Emissieloos rijden: bedrijven forceren innovatie op de mobiliteitsmarkt

Tientallen professionals uit de mobiliteitssector kwamen 14 november bijeen in het Mobility Innovation Center op Industriepark Kleefse Waard in Arnhem, voor het mini-seminar Emissieloos rijden. Een wijze les van de sprekers: innovatie kun je ook bereiken als de marktontwikkelingen tegenzitten. Of het nou gaat om een vloot elektrische bussen, een waterstoftrein of emissiearme pakketbezorging.

‘Duurzaam’ rijden gebeurt al in allerlei vormen. Maar bedrijven staan nog voor allerlei vraagstukken. Hoe kunnen ze emissievrije mobiliteit op grote schaal invoeren? Welke overwegen moeten zij maken? En tegen welke problemen lopen ze aan? Die vragen worden tijdens het seminar aangestipt en – deels – beantwoord. Vijf sprekers vertellen over de ontwikkelingen in hun bedrijf.

De sprekers staan op een plek waar normaal studenten en onderzoekers van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) met bedrijven aan mobiliteitsvraagstukken werken: het Mobility Innovation Center. Een van de zwaartepunten van de hogeschool is Sustainable Energy & Environment. Het onderwerp van het seminar sluit hier naadloos op aan. De HAN is dan ook medeorganisator van het seminar, samen met het KIVI (hoofdorganisator) en het Clean Mobility Center.

Stedelijke oplossingen

De presentaties richten zich vooral op stedelijke oplossingen. En dat is niet zo gek, volgens Marion Braams, directeur van het Clean Mobility Center. Ze vertelt dat veel mensen naar de stad verhuizen. Die ontwikkeling roept vragen op, zoals: hoe houd je mensen mobiel en hoe houd je de lucht schoon? En dat innovaties in steden tot stand komen, wil niet zeggen dat ze alleen in de stad toegepast kunnen worden. ‘Oplossingen voor grote problemen werken vaak ook voor kleine problemen.’

Een deel van de mobiliteit in een stad heeft te maken met de bezorging van producten. Pakketten, bijvoorbeeld. ‘We bezorgen 100 miljoen pakketjes per jaar’, zegt Dajo Fernandes, manager strategy & international bij DHL. Die worden niet alleen met auto’s bezorgd. Het bedrijf gebruikt tegenwoordig elektrische streetscooters. DHL wil het aandeel elektrische voertuigen snel uitbreiden. Dat bleek niet gemakkelijk. ‘Overal waar we kwamen, was het antwoord “nee”.’

De internationale dochteronderneming van Deutsche Post besloot de productie zelf op gang te brengen. ‘We kochten een startup. Die was nodig om de boel in beweging te krijgen. Er zijn nu 6000 streetscooters op de weg. Voornamelijk in Duitsland.’ Het bedrijf produceert meerdere emissievrije voertuigen, in allerlei soorten en maten. Nu de productie op gang is, wil DHL zich weer focussen op zijn corebusiness. ‘We zijn geen autobouwer, dus we zijn exit-strategieën aan het ontwikkelen.’

Mensen en technologie

Het verduurzamen van mobiliteit is niet alleen een technische uitdaging. Uiteindelijk moeten mensen schone technologie omarmen. Dat is wederom een uitdaging. ‘We merken dat pakketbezorgers heel veel waarde hechten aan hun cabine en aan de traditionele voertuigen.’ Ook overheden kunnen een remmende factor zijn. DHL heeft lockers, waar klanten pakketjes kunnen afhalen. Een initiatief die leidt tot de uitstootreductie. Maar niet iedereen is hier blij mee. ‘We lopen aan tegen gemeentes die het niet vinden passen in het straatbeeld.’

Dat mensen sceptisch zijn over nieuwe technologie, betekent niet dat ze deze technologie niet adopteren. Dat blijkt uit een presentatie van Jan van Meijl van VDL. Waar zijn bedrijf vroeger veel technologie ontwikkelde die verantwoordelijk was voor co2-uitstoot, zet het tegenwoordig in op duurzame mobiliteit. ‘De hele markt veranderde en wij konden mee veranderen. Maar als je dat doet, komen veel mensen vertellen dat je het fout hebt.’

VDL staat onder andere bekend om een vloot elektrische bussen in Eindhoven. ‘Mensen zeiden: “wie wil nou een bus die 80 kilometer per uur rijdt?” Maar goed, vroeger had je Nokia die zei: “wie wil er een telefoon, waarvan de batterij maar een dag meegaat?” Nu heeft iedereen een smartphone. Dus laat niemand je vertellen dat mensen iets niet willen.’

Tekort aan energietechnici

Maar zelfs als er voldoende vraag is, zijn er genoeg hordes die een bedrijf moet nemen om emissievrij vervoer te realiseren. Laadinfrastructuur voor elektrische bussen vraagt om serieuze bekabeling, maar netwerkbedrijven kunnen een laadstation vaak niet op korte termijn aansluiten. ‘Onze klant wil volgend jaar rijden en het netwerkbedrijf rekent minimaal 25 weken levertijd. Minimaal. Het kan dus ook vijf jaar duren. Ze hebben onvoldoende personeel en materialen.’

In Eindhoven installeerde VDL een zogenaamde V-storage-unit. Dat is een batterij waarmee VDL ‘het balanceerspel speelt’. Als een batterijbuffer goed benut wordt, is een minder zware netaansluiting nodig. VDL laadt bussen in de nacht en overdag worden ze bijgeladen, door middel van een pantograaf. ‘Een chauffeur die een stekker in een bus moet steken, kost veel geld. Alles draait om TCO.’ TCO staat voor Total Cost of Ownership. Deze term komt regelmatig voorbij, tijdens het seminar. Bedrijven houden niet alleen rekening met de aanschafkosten van emissievrije voertuigen, maar met de totale kosten die het eigenaarschap met zich meebrengt.

Het verschilt per situatie of een bepaalde technologie of energiedrager een goede keuze is. Dat blijkt onder meer uit een presentatie van Erik Geensen, Customer Director bij Alstom Transport. Het bedrijf waar hij werkt, ontwikkelt waterstoftreinen voor de Duitse markt. Daar rijden momenteel veel dieseltreinen, die op termijn niet meer in stadscentra mogen komen. Een logisch alternatief zijn elektrische treinen. ‘Maar veertig procent van de spoorlijnen zijn niet geëlektrificeerd’, zegt Geensen. Dat heeft te maken met de bezetting van het spoor, legt hij uit. Het aanleggen van bovenleidingen is – financieel gezien – onverstandig als weinig treinen van het spoor gebruik maken.

Pilot met waterstoftreinen

‘En als je een trein volzet met batterijen, heb je geen ruimte meer voor passagiers. Daarom is waterstof een betere oplossing.’ In Nedersaksen vindt een pilot met waterstoftreinen plaats; daar gaan twee prototypes het spoor op. Maar om het concept op te schalen, is waterstofinfrastructuur nodig. Hoe men die het beste kan aanleggen, is nog niet duidelijk. De opslag van waterstof roept veel weerstand op. ‘Mensen waren direct bang. Ze wilden geen waterstofinfrastructuur in de buurt van woningen.’

Tijdens het seminar komen veel voorbeelden van schone mobiliteit voorbij en problemen waar bedrijven mee worstelen. Zo vertelt Frank Verhulst, Teamlead Transport as a Business bij Allego, hoe zijn bedrijf Europese steden voorziet van laadinfrastructuur en welke factoren er momenteel voor zorgen dat mensen nog niet elektrisch rijden. Rob Kroon, consultant bij Fier Automotive, vertelt dat het elektrificeren van verkeer en vervoer in veel gevallen mogelijk is, maar ziet twee belangrijke uitzonderingen: regionaal en internationaal transport. De route van vrachtauto’s zou niet voorspelbaar zijn, waardoor elektrische voertuigen geen handige optie zijn.

De vraagstukken van de sprekers worden na de presentaties behandeld in workshops, samen met het publiek. Daar komen geen eenduidige antwoorden uit voort; wel inspirerende visies en waardevolle contacten. Wat de bijeenkomst in ieder geval blootlegt, is hobbelige en onzekere weg naar emissievrij vervoer. Daarom is het van groot belang dat ook de volgende generatie mobiliteitsprofessionals de actuele ontwikkelingen in het vak goed volgt.

Professionals van de toekomst

Niet alleen automotivestudenten moeten up-to-date blijven. ‘Automotive is automotive niet meer. We hebben het over mobiliteit. Het gaat niet alleen meer over een voertuig, maar ook over distributie en energienetten’, zegt Bram Veenhuizen, lector Automotive Research op de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). Er zijn tegenwoordig allerlei opleidingen en faculteiten betrokken bij mobiliteitsvraagstukken. De lector eindigt zijn verhaal met een oproep aan de bedrijven: ‘We willen veel intensiever samenwerken met bedrijven om mensen op te leiden. We hebben behoefte aan stageplekken en daar hebben we jullie voor nodig.’

Bron: HAN Centre of Expertise – SEECE